Wereldberoemd in Den Bosch: het hele verhaal

Het prille begin in Den Bosch
“In 1955 zijn we in Den Bosch komen wonen. Mijn vader was specialist in opleiding bij het GZG en thuis werd er op zondag hoofdzakelijk klassieke muziek gedraaid, maar een enkele keer ook iets frivools als “Oh Carol” van Neil Sedaka. Toen ik 7 jaar was, kreeg een van de buurjongens die boven ons woonden een drumstel en omdat ik daar vervolgens altijd op wilde spelen, zette hij dat ding uiteindelijk maar een tijdje bij ons neer. Ik kon mij als kind al helemaal uitleven op dat ding en mijn allereerste optreden was als drummertje samen met die jongens in het weeshuis en mijn eerste gage bestond uit een sinasappel.
Van m’n achtste tot en met m’n elfde kreeg ik pianoles van Piet Hörman. Hij was de organist van de kathedraal Sint Jan en ik mocht van hem eens een keer op het orgel spelen, een indrukwekkende ervaring. Wij woonden aan de Oranje Nassaulaan en ik kan me nog herinneren dat destijds de tunnel onder de Draak gegraven werd.
Toen ik een jaar pf twaalf was nodigde een buurjongen mij voor een verjaardagsfeestje uit om in het Luxor Theater de film Summer Holiday met Cliff & the Shadows te gaan zien. Die film en het horen van die muziek heeft achteraf bezien op dat moment mijn beleving van muziek ingrijpend veranderd. Zoiets leek mij ik later ook wel wat en het betekende meteen het einde van de klassieke pianoles.
Ik bleef wel piano spelen, maar ik zocht liever allerlei melodieën die mij aanspraken zelf uit en gaf er dan mijn eigen draai aan, zoals bij 'Wonderful land' van the Shadows, dat eigenzinnige zat er toen al in.
En bij muziekhandel Jansen op de Hoge Steenweg kochten mijn moeder en ik vervolgens mijn eerste elektrische gitaar voor maar liefst 125 piek, een heel bedrag in die tijd.

De eerste popconcerten in Vlissingen
Na het eerste jaar op het Sint Janslyceum verhuisde ik door familie-omstandigheden in 1964 voor een paar jaar naar mijn vader in een dorp vlakbij Middelburg genaamd Nieuw- en St.Joosland. Met name in het verderop gelegen Vlissingen heerste een vrij progressieve sfeer. Je had daar ook Het Concertgebouw en daar zag ik concerten van Pink Floyd, The Marmalade en Nederlandse bands als the Motions, the Outsiders en Q65 en natuurlijk de lokale grootheden van Dragonfly die daarvoor Group 69 Sect heetten.
Als gitarist in schoolbandjes op het gymnasium deed ik erg mijn best om dat niveau te evenaren, maar dat lukte toen nog helemaal niet. Ook speelde thuis vaak ik op een oud harmonium en een piano die wij op een veiling hadden gekocht, daarop begon ik voor het eerst eigen melodieën te maken.
Halverwege de jaren 60 was het de tijd van de zeezenders als Radio Caroline en Veronica, waar ik urenlang naar luisterde tot nummers als "You Really Got Me" van the Kinks, "Yes I Will" van the Hollies en "Concrete and Clay" van Unit 4+2 weer eens voorbijkwamen. Mijn elektrische gitaar sloot ik dan aan op een oude radio en liet die dan lekker vervormen door de volumeknop helemaal open te draaien.

In die periode ontwikkelde mijn interesse in de popmuziek zich steeds verder en ik was toen ook al erg bezig met allerlei nieuwe dingen ontdekken door veel platen te draaien, waaronder ook jazz ('Jazz Impressions of Japan' van Dave Brubeck was mijn favoriete jazzalbum) en bij wierookstokjes weg te dromen op de sitarmuziek van Ravi Shankar, litteratuur te lezen en gedichten te schrijven en redacteur te worden voor de schoolkrant die ik -bij gebrek aan copij- dan ook nog voor de helft moest volschrijven. Ook vond ik acteren op de jaarlijkse schoolavonden in de Middelburgse schouwburg erg leuk zoals in klassieke toneelstukken en de hoofdrol in 'The Importance of being Ernest' van Oscar Wilde en 's zomers gitaar spelen op het strand.
Vooral in die periode was het daar erg leuk, wanneer wij Walcheren afstruinden op zoek naar muziek, feesten en leuke meiden. Op klasse avonden probeerde ik als DJ mijn enthousiasme voor de progressievere popmuziek over te brengen op mijn klasgenoten, maar als je de hele avond alleen maar 'Axis Bold As Love' van Jimi Hendrix om je oren krijgt, valt dat nog niet zo mee...
Ik mocht niet vast in een band spelen, er moesten eerst betere resultaten op school komen.


Er was in die tijd sprake van een soort kleine eigen popcultuur in Zeeland, zo had je Hans Verhagen, de dichter, het Vlissingse equivalent van Hans Vlek in Den Bosch en die nam Rudi de Queljoe, de gitarist van Dragonfly mee naar een TV opname van het VPRO programma Hoepla, waar hij Jimi Hendrix tegenkwam. In de kleedkamer gingen ze toen elkaar gitaarlicks voorspelen en uitwisselen, zo gaat tenminste het verhaal.
In de schoolvakanties ging ik regelmatig terug naar mijn moeder in Den Bosch, dus ik hield wel voeling met wat er daar gebeurde, want op de een of andere manier bleef de stad mij aantrekken.
Ik zag er in 1966 in de Brabanthallen het legendarische concert van The Rolling Stones met in het voorprogramma The Bintangs en The Outsiders.
Het publiek veranderde tijdens het optreden van The Stones in één deinende massa, die vervaarlijk door de hallen heen en weer slingerde, dus bleef ik wat achterin staan, om het zo goed mogelijk te kunnen zien. Van mijn moeder mocht ik qua kleding veel meer dan van mijn vader. Suède bordeelsluipers en zo’n zwarte lakjas, die moest je echt hebben om een beetje mee te tellen.
Ook liftte ik in zo’n vakantie -ik geloof in 1967 of 1968- een keer samen met een vriend met 50 piek op zak op de bonnefooi naar Parijs en terug en ik voelde mij erg verwant met rebelse kunstenaars, dichters en musici.

Terug naar Den Bosch

Eind 1968 keerde ik definitief terug naar Den Bosch en maakte als externe leerling op Beekvliet in Sint Michielsgestel het gymnasium af. Daar kroop ik in de vrije uren zonder te vragen achter het kerkorgel in de kapel om te improviseren en zette daarbij soms alle registers open, maar niemand die daar iets over zei. Er was daar ook een leraar Nederlands, Harrie Kapteins, die zelf dichtbundels uitgaf en creativiteit en artisticiteit bij de leerlingen erg stimuleerde. Een aantal jaren later kocht ik overigens via mijn toenmalige pianostemmer voor een prikkie mijn eerste vleugel, de Ibach van Beekvliet, die in de loop van de jaren door de leerlingen uiterlijk behoorlijk was afgeragd, maar hij klonk nog geweldig.
We hadden bij ons thuis in de Arezzostraat een piano, maar ik wilde dolgraag ook een orgel. Bij de muziekwinkel van Goosen & Swagerman kochten we toen op advies van bedrijfsleider mijnheer Blom een Capri orgel, of heette het Panther? Na een jaar ruilde ik het in voor een Farfisa orgel, dat had echt een hipper geluid.
Ik begon met eigen liedjes maken en opnemen op een eenvoudige bandrecorder en er kwamen steeds meer andere instrumenten bij om mee te experimenteren.
Het conservatorium trok me totaal niet, klassieke muziek vond ik toen niet aantrekkelijk, behalve dan de pianocomposities van Debussy.
Wel ging ik op basis van mijn opleiding en omdat het zo hoorde eerst Psychologie en later Nederlands studeren in Nijmegen, maar ik was uiteindelijk veel meer te vinden in de studio dan in de collegezaal.

Den Bosch was eind jaren 60-begin jaren 70 echt de stad van de amusementsorkesten en de coverbandjes en die in mijn ogen nogal platte en commerciële cultuur vond ik midden in het psychedelische tijdperk en de flower-power muzikaal helemaal niet interessant. Dus ga je op zoek naar muzikale geestverwanten en die kom je dan vanzelf tegen. Zo ontmoette ik Kees Buenen en Paul Smits, die drumde. Via Paul leerde ik weer Wim Hartjens kennen. Die had een band, die heette Eh… Dinges.
Jan Seegers speelde bas. Die hield wel van een biertje en is nog een keer bij de Rode Leeuw de Dieze in geflikkerd. Appie Kamphuis was de drummer en ik ging vaak mee naar optredens in de dorpen rondom Den Bosch.
Wim Hartjens kon op zijn Strat fantastisch Jimi Hendrix nummers naspelen en die namen in hun repertoire een grote plaats in, evenals nummers als "The Kids are Allright" van the Who.
In Den Bosch gingen we rond 1968 uit in de Hort, de Blokhut, Big Pink, het Theatercafé van het Casino en het Purple & Greenhouse aan de Parade. Ik weet nog dat Kees Buenen, die daar in de organisatie zat, zei: ‘Frank, jij hebt een sitar gekocht hoor ik, kom vanavond effe improviseren op dat ding.’ Dus ik loop met die sitar naar de Parade, de mensen op straat keken wel raar op van zo’n instrument. En dan in een van de zaaltjes in het Purple & Greenhouse op de grond gaan zitten en gewoon beginnen. Binnen de kortste keren zat er zo’n veertig man om je heen te luisteren, heel leuk was dat.

Bij Goosen & Swagerman had je boven de muziekinstrumentenafdeling en beneden de platen. Daar werkte een meisje en die kende van veel klanten precies de smaak. Als ik dan kwam haalde ze een paar LP’s te voorschijn waarvan ze dacht dat ik die wel mooi zou vinden. Dat was meestal wel raak. Ik ontwikkelde een hele brede smaak, van componisten als Burt Bacharach en Jimmy Webb tot en met Jimi Hendrix en The Nazz, een Amerikaanse progressieve band uit Philadelphia, waar ene Todd Rundgren in speelde, een rasmuzikant, componist en producer die van grote invloed is geweest op mijn latere muzikale ontwikkeling. Die LP van The Nazz is overigens nu een gewild collectors item. Ik was inmiddels zo’n goede klant bij Goosen geworden dat ik bij de uitverkoop als eerste de koopjes mocht uitzoeken. Daar maakte ik gretig gebruik van.
In de omgeving van Den Bosch kon je regelmatig hele goede bands aan het werk zien, bijvoorbeeld in het Beatpaleis in Schaijk, daar zag ik Fleetwood Mac met Peter Green en Spooky Tooth met Gary Wright en Mike Harrison. De eerste versie van de groep Yes zag ik spelen in een achterafzaaltje in het dorp Zeeland. Spooky Tooth had een geweldig mooi uitgebalanceerd geluid, terwijl ze helemaal niet zo hard speelden en omdat die nog helemaal niet bekend waren hier, kon ik vlak voor het podium alles heel goed zien en horen.

Jimmy Bellmartin
In cafe de Hort in Den Bosch ontmoette ik Jimmy Bellmartin van The 5 J’s.
Ik schreef liedjes en Jimmy had een bijzondere en krachtige stem en kon ze met veel soul heel goed uitvoeren. In 1970 namen we in de EMI studio in Heemstede zijn eerste single “This is my lovesong” op voor een sublabel van Negram, het was een liedje van mij en de producer was Ad Kraamer, die ook in Den Bosch woonde en ingangen had in de business. Ad produceerde later nog een paar singles met ons, maar zijn expertise lag eigenlijk meer in een andere muzikale richting, meer de volkse kant. Jimmy en ik begonnen samen meer nummers te componeren en wij speelden vervolgens ook ongeveer twee jaar in verschillende bandjes, waaronder uiteindelijk de Jimmy Bellmartin Band.
Inmiddels had ik een Hammond, want dat was toch eigenlijk het beste orgel dat je kon hebben.
Wij hadden veel soulvolle, Latin en funky nummers op het repertoire, ook van anderen natuurlijk, want anders kon je eigenlijk nergens optreden.
Voor sommige optredens belden wij Neppy Noya, die dan mét zijn conga's in Amsterdam op de trein stapte naar Den Bosch en daar maar héél weinig geld voor wilde hebben, ik denk omdat hij het leuk vond om Jimmy een beetje te helpen.
Regelmatig traden wij op bij Molukse feestavonden en we speelden tot Amerikaanse legerbases aan toe, diep Duitsland in. Dat ging er in de zaal soms behoorlijk hard en heftig aan toe in verband met de tegenstellingen tussen blank en zwart. Meestal kochten de jongens en ik na afloop bij de legerstore voor de inkoopprijs flessen Four Roses en sloffen sigaretten en die werden dan in mijn Lesley-box meegesmokkeld.
Ik was in 1972 in de St.Jorisstraat op de benedenverdieping van een heel creatief ingesteld huis gaan wonen met een paar bevriende jongens die op de kunstacademie zaten en voornamelijk met fotografie, vormgeving en mode bezig waren en dat werkte aanstekelijk. Ik had er een recorder om sound on sound mee op te kunnen nemen, een Gibson SG Custom gitaar, een vleugel en een drumstel en korte tijd zelfs een mellotron, eigenlijk de hele range voor een complete band.
Bij het componeren liet ik mij steeds vaker inspireren door de eerder genoemde Todd Rundgren, die ook zijn platen zelf inspeelde en produceerde.
De Jimmy Bellmartin Band ging uit elkaar en Jimmy ging daarna meer discotheken- en nachtclubwerk doen, tot in Spanje en Suriname en het contact verwaterde een beetje.
Rond 1975 namen wij nog wel samen als co-producers en auteurs het liedje "You're a lady" op.
Je had in Den Bosch ook club Odyssee en daar werd goede funk en disco gedraaid zoals Curtis Mayfield en the JB’s, die ik daar ontdekte. Lekkere dansmuziek met een stevige groove, daar werd ik echt fan van. Ik heb als producer later veel met zwarte artiesten gewerkt, zoals American Gypsy, Tony Sherman, Fox the Fox en Forrest. Via mijn toenmalige uitgever hebben zelfs het beroemde duo Peaches & Herb uit de USA later nog een song van me opgenomen, die ook nu nog regelmatig in de USA op compilaties verschijnt. Eerst zou die song opgenomen worden door Teddy Pendergrass, de lead zanger van Harold Melvin and the Blue Notes, maar die versie is nooit uitgekomen. Die twee schijnbaar verschillende muzikale stijlen, progressieve, melodieuze en snoeiharde rock enerzijds en swingende R&B, sophisticated Philly soul, disco en funk anderzijds hebben bij mijn muzikale verrichtingen altijd naast elkaar bestaan, maar bij artiesten als David Bowie, Hall & Oates en soms zelfs bij the Stones zie je dat ook.

Pantherman
Ik merkte dat ik me steeds meer aangetrokken voelde tot het studiowerk, waarvoor ik ook als muzikant steeds meer voor werd gevraagd, in plaats van het doen van optredens. Het glamrock tijdperk was inmiddels aangebroken.
In de Doelen in Rotterdam zag ik een concert van Roxy Music, met in het voorprogramma Leo Sayer met een clownspak aan en in de zaal was veel glam en travestie aanwezig. Zo’n concept en die sfeer zetten me aan het denken en zo ontstond Pantherman, een theatrale stripheld die in allerlei verschillende surrealistische settings met humor en ook erg sexy de wereld zou gaan verbeteren, waarbij ik op mijn platen bijna alle instrumenten bespeelde en de zangpartijen deed! Pieter de Wit, destijds ook de manager van Jimmy Bellmartin, werkte toen bij een managementbureau in Rotterdam, die regelden een platencontract bij Polydor en in 1974 kwam in samenwerking met producer Shell Schellekens de plaat “Pantherman” in Nederland, België en Duitsland uit. Er werd speciaal op maat een zwart leren pak voor me ontworpen, met een prachtig masker waarvoor eerst een gipsen afgietsel van m’n gezicht werd gemaakt.
Toen kreeg ik plotseling een telefoontje: over drie dagen een TV opname. Het klinkt ongelofelijk, maar daar had ik dus totaal nooit bij stilgestaan. Er kwam meteen een choreograaf bij, die me allerlei bewegingen aanleerde, alles erop en eraan, de act was helemaal ingestudeerd. Toen ik enigszins nerveus de studiovloer op liep in mijn Pantherman pak, hoorde ik een cameraman iets denigrerends zeggen en ik was meteen behoorlijk de kluts kwijt. Die opname is één keer uitgezonden in het programma Nederpopzien van de VARA en ik zou het graag nog eens terug willen zien. Eens te meer werd mij echter duidelijk dat ik eigenlijk veel meer componist/producer en de sturende man achter de schermen wilde zijn dan performer.
Ook raadde de toenmalige A&R manager van Polydor mij herhaaldelijk vertrouwelijk aan dat ik -als ik echt een groot artiest wilde worden- eerst “in de goot terecht moest komen en door het slijk moest gaan”. Nou, dat vooruitzicht trok mij totaal niet aan.
Het is trouwens wel erg grappig om te merken dat er nu nog steeds mensen zijn die zich laten inspireren door mijn creatie van toen, van een dansgroepje in de UK dat zich Panthergirls noemt tot blogs op internet en alternative bands in de USA. Als ik de nummers nu terughoor klinken die oorspronkelijk, ongedwongen en gewaagd, vooral de eerste single, waarvoor nu door verzamelaars via Ebay flinke bedragen worden betaald.

Relight Studios, de eerste hits en de band met Ferdy Lancee
In 1975 verhuisde ik naar Rosmalen naar een eengezinswoning en werkte steeds vaker in de Relight Studio in Hilvarenbeek, waar ik voor Polydor ook andere artiesten produceerde. In 1976 werd ik daar gevraagd als vaste staff-producer voor hun nieuwe label Jungle Records en ik produceerde in de periode 1976-1977 verschillende successen met onder andere Ferdy Lancee en de Amsterdamse Houseband.
“Dancing Shoes” was de eerste echte Nederlandse funkplaat die een hit werd en de plaat kwam wereldwijd uit tot de USA en Zuid Amerika aan toe. De band haalde zijn inspiratie vooral uit de USA: van James Brown funk tot de New Orleans soul van the Meters en Allen Toussaint. Op recente compilaties zoals 'Dutch Rare Groove' worden mijn producties uit deze periode nog steeds gebruikt.
Relight had inmiddels een enorme en voor die tijd heel geavanceerde 24 sporen studio erbij gebouwd en het was een creatieve vrijplaats, je kon er artistiek gezien doen wat je wilde. Ferdy Lancee was daar ook regelmatig als sessiemuzikant te vinden en hij speelde ook nog gitaar in een amusementsorkest: Lotusland. Bij Relight vonden wij dat hij een bijzonder muzikaal talent had als solozanger en wij gingen steeds meer samenwerken. Twee creatieve geesten met een flinke dosis ambitie vonden elkaar daar in Hilvarenbeek, het klikte in het begin muzikaal zeer tussen ons.
Ferdy werd in die tijd ook wel de Nederlandse Peter Frampton genoemd omdat hij naast zijn blonde lokken en zangkwaliteiten ook een meer dan uitstekend gitarist was. Ik denk nog met enthousiasme terug aan de vele waanzinnige solo's die hij op onze platen en live wist neer te leggen en ook aan zjn prachtige zangstem als hij in vorm was.
In de CTS studio in Londen namen we met arrangeur Harry van Hoof de strijkers van het London Symphony Orchestra op voor zijn eerste album, evenals de blazers en het vrouwenkoor Sue and Sunny, -echte top sessiemuzikanten-, dat was kicken en ook heel spannend om met die mensen samen te werken.
Succes trekt aan, de artiesten kwamen in die tijd vanzelf naar Relight toe.
Zelfs Focus, toen in hun nadagen zonder Jan Akkerman maar met de Belgische gitarist Philip Catherine, wilde daar met mij als producer werken.
Uiteindelijk is het er wegens interne problemen tussen de band en het management toen niet van gekomen. Ik kan mij nog herinneren dat de roadies de backline al helemaal hadden geïnstalleerd in de studio en dat de heren zonder een woord te zeggen gewoon niet kwamen opdagen.
De studio werd ook steeds beroemder: Genesis, Peter Gabriel, Black Sabbath, Robert Fripp, Cat Stevens, Boomtown Rats, Gentle Giant, de Earring, Brood en Sportivo en nog vele anderen kwamen er opnemen.

De Relight bar was in die tijd echter minstens zo’n begrip aan het worden als de studio, waar de kreet "sex, drugs and rock and roll" bijna een understatement werd en omdat de totale exploitatiekosten mede daardoor te hoog werden moesten ze noodgedwongen de labelactiviteiten afstoten.
Ik verhuisde ermee naar Strengholt in Naarden die het hele spul opkochten, maar als je zo’n label met zijn artiesten verplaatst en de originele roots, context en sfeer weghaalt, dat werkt niet. Helaas viel de zo zorgvuldig opgebouwde stal dan ook helemaal uitelkaar.
Ook werd daar ik min of meer "gepushed" om alles waar men maar even commerciële potentie in zag aan te pakken. Zo werd ik een keer naar Limburg gedirigeerd om te kijken of er geen plaat gemaakt kon worden met een stel dansmariekes die op TV in een talentenjacht waren opgevallen en dat was toch wel een erg groot contrast met de omgeving van Relight, om op deze manier als platenproducer te moeten werken beviel mij dan ook helemaal niet. Dit bevestigde mijn beeld van de Nederlandse muziekscene meteen dat commercieel succesvolle platenproducers een soort generalisten moesten zijn die uit alle genres de krenten uit de pap konden halen. Zo kun je je natuurlijk nergens echt in specialiseren. Ook heb ik later nooit meer een artiest geproduceerd 'alleen maar voor het geld', ik moest er altijd enige artistieke 'klik' mee hebben, maar die kon qua genre vrij breed zijn.
Ik leerde bij Strengholt wel de eerste kneepjes van het muziekuitgeverijvak en leerde er een paar goede contacten voor later kennen, je kan gerust zeggen dat dat bedrijf voor verschillende generaties muziekprofessionals een goede leerschool is geweest.
Ik bleef demo’s en producties maken met Ferdy in Relight en ik schreef rond 1979 als een soort antwoord op bovengenoemde ervaringen "The battle of my lonely guitar". Dat vormde eigenlijk mede het ontstaan van de band Lancee, wij gingen meer van dat soort stevige rocknummers met inhoud schrijven, gingen op zoek naar andere geschikte muzikanten en een management en ik slaagde er in een platendeal te regelen bij CBS.
In die eengezinswoning in Rosmalen spoorde het niet echt met mijn buren met een drumstel op zolder, een vleugel in de huiskamer en de rest ertussenin, dus plaatste ik een advertentie waarin ik iets vrijstaands te huur zocht om zelf ongestoord muziek te kunnen maken en te repeteren met de band. Dat vond ik in het buitengebied van Schijndel.
Yde de Jong, de toenmalige zakenpartner van Pieter de Wit, was eerder manager geweest van Focus en die vond het een goed idee van ons om met Lancee naar de Air Studio’s in Londen te gaan om te mixen, maar die studio zat vol, dat ging dus niet door. In eerste instantie keken wij naar andere studios in de UK, maar toen zei Yde: ‘Ik moet toch in New York zijn, kunnen we het daar niet doen? Nou, dat wilden wij wel, dus eerst toestemming vragen bij CBS, de dollarkoers was laag dus dat ging allemaal net en vervolgens wij met twee koffers vol met multitracks naar de Hit Factory in New York. Die kende ik van de platen van Rick Derringer en Edgar Winter en boven ons waren Hall & Oates (ook oorspronkelijk uit Philadelphia!) in een andere studio op aan het nemen, enorm kicken was dat. Soms liepen ze even nieuwsgierig binnen om te horen wat die maffe Europeanen aan het doen waren, want onze muziek leek in sommige nummers wel wat op die van henzelf.
Wij werden later uitgenodigd om te komen kijken naar een try out concert van ze in club Gildersleeves ergens in the Bowery, niet echt een relaxte buurt, maar dat concert staat mij bij als een van de beste die ik ooit heb gezien. Vooral de leadvocals van Daryl Hall en het koorwerk waren van een buitenaards niveau.
Ook werden wij via een vroegere Focus relatie van Yde in die periode backstage uitgenodigd bij een Aerosmith concert in het Nassau Colosseum met Mothers Finest in het voorprogramma en wij voelden ons als echte rocksterren in de hipste privé clubs, ook ging ik met mijn vriendin naar de beroemde Studio 54, ik vergeet nooit meer hoe daar Bianca Jagger en de Andy Warhol clan zich op bijzondere wijze vermaakten in die bizarre setting.....
Ik kwam met veel indrukken en hele goeie mixen weer thuis en wij kregen in 1980 een Edison voor het album ‘Models’, daar waren we natuurlijk verschrikkelijk trots op en het album stond enkele maanden in de charts. Het juryrapport spreekt voor zich.
Achteraf bezien begon juist in New York het einde van de band zich al af te tekenen. Ferdy had duidelijk moeite om in die omgeving zo dicht bij het vuur zijn zo vurig gewenste status als rockster waar te maken en strandde voortdurend in een soort krampachtig negativisme over van alles en nog wat. Terwijl ik Studio 54 geweldig vond om te beleven, bleef Ferdy bijvoorbeeld zuipen in de hotelbar met zijn maatje en tevens onze technicus Pierre Geoffroy Chateau, die ook mee was.

De tweede elpee hebben we een jaar later opgenomen en gemixed in de Strawberry Studio van 10CC in Manchester, maar de band -lees de muzikale relatie tussen mij en Ferdy- zat toen eigenlijk al in een identiteitscrisis. Dat album, 'the Bridge', had gewoon op dat moment en in die vorm niet mogen uitkomen.
Ferdy wilde zoals gezegd dolgraag een echte rockster zijn maar had steeds vaker de neiging om -ik denk mede getriggerd door zijn coverband achtergrond- heel snel en opportunistisch allerlei verschillende succesvolle muzikale invloeden van anderen te absorberen en die begonnen steeds meer zijn composities en zijn podiumact binnen te sluipen op een manier die totaal niet meer paste bij mijn eigen muzikale smaak. Ik vond en vind inspiratie door de muziek van anderen prima, maar was zelf daarbij juist heel erg bezig met het zoeken naar toegevoegde waarde, authenticiteit en credibility en begon steeds meer afstand te nemen van de balorigheid die steeds meer de sfeer tijdens de optredens en in de kleedkamer bepaalde en de inspirerende muzikale momenten voor mijn gevoel te vaak naar de achtergrond drukte. Het gevoel bekroop mij ook regelmatig dat Lancee muziek maakte die te ver los stond van de tijdgeest en meer leunde op een soort muzikale krachtpatserij dan op inhoudelijke zeggingskracht en dat voelde ik vooral bij de publieksreacties in de grote steden en op de festivals.
Dat vond ik helemaal niet prettig en wilde zelf in mijn composities na het toch succesvolle eerste album een soort inhoudelijke inhaalslag maken.
Ik merkte echter duidelijk aan Ferdy dat hij daardoor tijdens de opnamen van dat tweede album gewoon niet lekker in zijn vel zat, zijn teksten waren bijvoorbeeld regelmatig nog niet klaar op het moment dat wij de vocals van een song zouden gaan opnemen. Het creatieve proces verliep al met al zeer moeizaam terwijl alles tijdens de jaren eerder als vanzelf leek te gaan en eerlijk gezegd was ik zelf in die periode ook niet echt in topvorm. Wij konden elkaar gewoon niet meer inspireren.
In Zwolle stonden we een keer op een festival met The Cure, die ik eigenlijk helemaal niet kende. Ik wist niet wat ik zag en hoorde toen die band begon te spelen. Uit alle hoeken en gaten van het terrein kwamen er plotseling van die gothic vleermuizen te voorschijn. Technisch vond ik het allemaal niet zo geweldig, maar die atmosfeer die ze opriepen was te gek en hoorde helemaal bij die tijd.
Ferdy en ik groeiden in muzikaal en persoonlijk opzicht steeds verder uit elkaar en toen dat tweede album flopte, verliet ik eind 1981 als eerste de band omdat dat mij vooral werd aangerekend en vrijwel meteen daarna vertrokken ook een paar andere bandleden. Er ontstond daarna nog even een soort gereviseerde Lancee met jongere muzikanten, maar Ferdy ging bij gebrek aan succes vervolgens helemaal in de flow van die tijd Nederlandstalig, startte met V.O.F. de Kunst en scoorde uiteindelijk dan toch zijn grote hit met “Suzanne”, een prachtig succes, dat echter niets meer met de oorspronkelijke visie achter de Lancee muziek te maken had.

De VARA en de Dijk
Ik was op een punt aangekomen waarop ik dacht: wat moet ik nu? Enerzijds zat het produceren en componeren nog diep in mijn systeem, anderzijds had ik ook gemerkt dat een carrière in Nederland op mijn eigen muzikale voorwaarden een moeilijke zaak zou kunnen gaan worden.
Zo had ik tijdens mijn marktverkenningen eens een afspraak gemaakt met Willem van Kooten en liet hem mijn nummer horen "When the lights go out", gezongen door Tony Sherman. Hij vond het wel aardig, maar gaf meteen aan dat ik dat soort muziek maar beter aan de Amerikanen kon overlaten. Een paar maanden later kreeg ik van mijn voormalige uitgever het bericht dat Peaches & Herb het hadden opgenomen. Zo zie je maar.
Ik kon gelukkig iets later als freelance producer en redacteur bij de VARA aan de slag en ben daar in 1982 -naast het opnemen van nieuwe interessante bands- begonnen met allerlei klusjes, zoals het vervangen van Koos Zwart met de concertagenda. Maar iets later werd het wèl leuk: ook het produceren en opnemen van live concerten in het clubcircuit, zoals de eerste concerten van U2 in Paradiso en Depeche Mode in de Lantaarn en grote festivals als Lochem, Pinkpop en Parkpop.
Bij U2 kwam hun manager Paul McGuiness na afloop van het concert in de radio- wagen nog vragen of alles naar wens was gegaan en ik rekende na een volmondig ‘ja’ 750,- gulden cash met hem af voor de radiorechten.....Later heb ik het op Midem in Cannes nog eens lachend met hem erover gehad.
Zo herinner ik mij ook het bezoek van Elvis Costello aan het programma Paviljoen 3, waar Dolf Brouwers nog in schitterde als parlementair medewerker en waarvoor ik de muziekitems produceerde, evenals de column van Youp van het Hek. Het boterde helemaal niet tussen Costello en presentator Felix Meurders, zeker toen hem een wat kritische vraag werd gesteld over het feit dt hij zich noodgedwongen een tijdje uit de muziekbusiness had teruggetrokken. Ik heb heel wat diplomatie en herstelwerk moeten verrichten om er nog iets van te maken.

De VARA had ook het programma Popkrant, daar deed ik redactie en het productiewerk voor en daar hoorde ik voor het eerst ik de Dijk met een heel goed liedje dat al eerder was opgenomen: “Bloedend hart”. Dat wilde ik per se op de plaat zetten. Zo werd ik de eerste producer van de Dijk en zorgde daarbij ook voor hun allereerste platendeal bij Dureco, bij wie zij twee albums uitbrachten.
Regelmatig reed ik in die tijd naar woonboot "Elfresa" in Amsterdam waar Huub en Hans woonden en waar ze ook repeteerden om samen daar met de band te werken aan arrangementen voor de toen nog vrij basale composities.
Nu is “Bloedend hart” een absolute klassieker en heeft de inmiddels band haar 25 jarig jubileum gevierd.
Uiteindelijk heb ik alles wat je voor radio kunt doen, wel gedaan in heel veel verschillende programma's. Ik deed de redactie, regie of productie van Live Aid, Lijn 3, Pinkpop, Lochem, Parkpop etc etc en ik heb programma’ s gemaakt met Alfred Lagarde, Jack Spijkerman, Felix Meurders, Henk Westbroek, Jan Douwe Kroeske, Willem van Beusekom, Wim Bloemendaal en nog vele anderen.
Als freelancer kon ik ook de platen van artiesten die ik interessant vond blijven produceren zoals van Forrest, the Affair en Fox the Fox en aan de heel andere kant bands als MAM en Tent, maar ook de muzieksamenstelling van programma’s doen en zo.
Ik kan mij nog heel goed herinneren dat de eerste "rock & roll ster" van Nederland -die toen bij de KRO ook muzieksamensteller was- gezegd zou hebben bij het bekijken van de naam van de producer op het label van de single van een van die bands: oh, VARA, dan moeten die hem maar draaien.... dàt was voor mij het moment om een pseudoniem te kiezen en dat werd David Basho, dat gebruik ik nu trouwens weer als artiestennaam. Onder datzelfde pseudoniem produceerde ik in 1986 samen met Jaap Eggermont the Affair en componeerde ik Unbeatable wat ik nog steeds een erg sterke song vind.

Ik kreeg als programmamaker en muzieksamensteller verder veel met pluggers te maken.
Een aantal mensen en oud-collega muzikanten uit Den Bosch kwam ik daar in die hoedanigheid regelmatig tegen, want klaarblijkelijk hadden ze talent voor dat vak.
Ik kwam elke week met stapels nieuwe LP’s en singles thuis, die ik ook allemaal serieus beluisterde. Je bouwt op die manier natuurlijk een enorme repertoirekennis op en het gevoel voor wat actueel is en wat een hit gaat worden kon ik daar zeker uitbouwen.
Toen ik voor het programma Verrukkelijke 15 eens als tip een nieuw nummer van Janet Jackson koos: “What have you done for me lately”, wat ik een fantastische productie vond, kwamen er talloze telefoontjes van verstokte VARA radio 3 luisteraars hoe ik het in mijn hoofd haalde om die disco te draaien op die progressieve radiozender. Toch achtte ik de tijd rijp om meer soul en R&B artiesten te gaan programmeren.
Door het programma Popkrant en heel veel concertopnamen in het clubcircuit te produceren voor de VARA, van Groningen tot Maastricht en van Rotterdam tot Arnhem bouwde ik in de loop der jaren een heel netwerk op van Nederlandse en buitenlandse bands en hun managements.

General Manager bij EMI
In 1987 werd ik vanwege mijn ervaring en kwaliteiten door mijn uitgever Frans de Wit, die ik nog kende van Strengholt en die directeur werd van EMI Music Publishing in Londen, gevraagd om hun creatieve en commerciële belangen voor de Benelux te gaan behartigen. Dat was weer een nieuwe stap, verantwoordelijk zijn voor de miljoenenomzetten van een hele grote muziek-uitgeverij, nu inmiddels de grootste van de wereld. Ik was eigenlijk ook wel toe aan iets anders en ging meer de internationale A&R kant op en pendelde tussen Hilversum en België, waar het Brusselse kantoor eigenlijk helemaal opnieuw op de kaart moest worden gezet. Wij scoorden vervolgens in die tijd grote internationale successen met lokale artiesten als Soulsister, Won Ton Ton, Technotronic, Selena en BB Queen en ik zat namens de Benelux in het internationale A&R team van EMI waarin ik betrokken was bij hele grote signings en onderhield daarbij contacten met de betrokken managements en lawyers samen met het hoofdkantoor.
Daarvoor reisde ik regelmatig, kwam in Londen, Milaan, New York, Nashville en L.A. en ontmoette op die reizen een hele rits interessante mensen, zoals bijvoorbeeld Stevie Wonder, Bryan Adams, Gloria Estefan, componiste Diane Warren en ook Paul McCartney.
Hoe die was? Nou, ken je die Beatles film Help? Waar ze als kwajongens in het rond springen en gek doen? Nou, zo was ie. Ook een pose natuurlijk, maar wel leuk. Ik deed het muziekuitgeverij vak op dat niveau nog maar net en ik stond echt in dubio, een vreselijk dilemma vond ik dat, of ik hem nu als collega muzikant/producer moest benaderen, of als zakenman, wat hij natuurlijk óók is. Maar hij gaf me een hand en zei: ‘How’s business?’ Dus dat was ook meteen weer opgelost, wel grappig was dat.

In L.A. werd ik een keer op de 15e etage van mijn hotel midden in de nacht wakker door een flinke aardbeving, dat was behoorlijk schrikken.
De volgende dag was er een afspraak met een lawyer, die onder andere de belangen van Frank Zappa en Olivia Newton John behartigde. Zijn penthouse in Santa Monica zag uit over de Pacific en de schilderijen hingen nog steeds scheef aan de muur, maar hij haalde zijn schouders op en zei: eens komt “the big one” en dan schuiven wij hier met zijn allen de oceaan in. Ik was blij dat ik wat later weer gewoon terug kon naar Nederland. In datzelfde hotel waar ik met een paar collega's een biertje aan het drinken was kwam ik een keer Adje van den Berg tegen, die op dat moment nummer 1 stond met Whitesnake. Hij bleek daar te wonen voor de duur van hun Amerikaanse tour, de wereld was weer klein.
Ook kwam ik jaarlijks op de Midem, de grootste internationale muziekbeurs en één van die jaren was Smokey Robinson speciaal voor een concert overgevlogen, compleet met orkest. Dat was gigantisch genieten, evenals bij een concert van Burt Bacharach en Dionne Warwick in Radio City Music Hall in New York. Ik heb bij EMI erg veel geleerd over de zakelijke en juridische kanten van de muziekbusiness, maar toen vanaf begin jaren 90 na de overname van een Amerikaanse uitgeverij het oude management wereldwijd voor 80 procent van de ene maand op de andere werd vervangen, vonden er vervolgens een aantal ingrijpende interne ontwikkelingen plaats en werd ik keihard met de keerzijde van die wereld geconfronteerd. Blijkbaar was ik ook niet shark-proof genoeg voor die omgeving. Toch had ik vooral de eerste jaren voor geen goud willen missen, omdat ik toen het gevoel had écht op mijn plaats te zijn en kwaliteit, commercie en zakelijkheid optimaal kon combineren op het hoogste niveau en op mijn manier".


 

De cirkel is rond