Frank Klunhaar
© Frank Klunhaar 2016

                  Muzikale biografie

Wereldberoemd in Den Bosch

In 2003 verscheen het boek “Wereldberoemd in Den Bosch”, samengesteld door Kees Buenen en Hans Vrielink.       Daarin komen een aantal mensen aan het woord die op muzikaal gebied iets betekend hebben voor de stad in de periode 1950-2000. Ik heb mijn verhaal uit het boek aangevuld en uitgebreid en dat is hieronder te lezen.

Het prille begin in Den Bosch

In 1955 zijn we in Den Bosch komen wonen. Mijn vader was specialist in opleiding bij het Groot Ziekengasthuis en thuis werd er op zondag hoofdzakelijk klassieke muziek gedraaid, maar een enkele keer ook iets frivools als “Oh Carol” van Neil Sedaka. Dat singeltje was mijn eerste kennismaking met popmiziek. Op een trommel slaan deed ik al graag en toen ik 7 jaar was kreeg een van de buurjongens een drumstel en omdat ik daar vervolgens altijd op wilde spelen zette hij dat ding uiteindelijk na veel zeuren maar een tijdje bij ons neer. Omdat ik best al aardig drumde voor een klein jochie mocht ik mijn allereerste optreden samen met die jongens in het weeshuis doen en mijn eerste "gage" bestond uit een sinasappel. Van m’n achtste tot en met m’n elfde kreeg ik pianoles van Piet Hörman. Hij was de organist van de Sint Jan en ik mocht van hem eens een keer op het kerkorgel spelen, een indrukwekkende ervaring. Toen ik een jaar of twaalf was nodigde een buurjongen mij voor zijn verjaardag uit om in het Luxor Theater de film Summer Holiday met Cliff & the Shadows te gaan zien.   Die film en het horen van die muziek heeft achteraf bezien op dat moment mijn beleving van muziek ingrijpend veranderd. Zoiets leek mij ik later ook wel wat en het betekende meteen het einde van de klassieke pianoles. Ik bleef wel piano spelen, maar ik zocht liever allerlei melodieën die mij aanspraken zelf uit en gaf er dan mijn eigen draai aan, zoals bij "Wonderful Land" van the Shadows. En bij muziekhandel Jansen op de Hoge Steenweg kochten mijn moeder en ik zonder dat mijn vader dat wist vervolgens mijn eerste elektrische gitaar voor maar liefst 125 gulden, een heel bedrag in die tijd. De jaren 60 in Zeeland Na het eerste jaar op het Sint Janslyceum verhuisde ik door familie- omstandigheden in 1964 voor zes jaar naar Nieuw- en St.Joosland vlakbij Middelburg. Met name in het verderop gelegen Vlissingen heerste een vrij progressieve sfeer. Je had daar het Concertgebouw en daar zag ik concerten van Pink Floyd, The Marmalade en Nederlandse bands als the Motions, the Outsiders en Q65 en natuurlijk de lokale grootheden van Dragonfly die daarvoor Group 69 Sect heetten. Als gitarist in schoolbandjes op het Gymnasium deed ik al erg mijn best, maar dat niveau haalde toen nog helemaal niet. Ook speelde ik thuis vaak op een oud harmonium en een oude ongestemde piano die wij op een veiling hadden gekocht en begon ik voor het eerst eigen melodieën te maken. Halverwege de jaren 60 was het de tijd van de zeezenders als Radio Caroline en Veronica, waar ik urenlang naar luisterde tot nummers als "You Really Got Me" van the Kinks, "Yes I Will" van the Hollies en "Concrete and Clay" van   Unit 4+2 weer eens voorbijkwamen. Mijn elektrische gitaar sloot ik dan aan op een oude radio en liet die dan lekker vervormen door de volumeknop helemaal open te draaien. Er was in die tijd sprake van een soort kleine eigen popcultuur in Zeeland, zo had je Hans Verhagen, de dichter, het Vlissingse equivalent van Hans Vlek in Den Bosch en die nam Rudi de Queljoe, de gitarist van Dragonfly mee naar een TV opname van het VPRO programma Hoepla, waar hij naar verluidt werd voorgesteld aan Jimi Hendrix.In de schoolvakanties ging ik regelmatig terug naar mijn moeder in Den Bosch, dus ik hield wel voeling met wat er daar gebeurde. Ik zag er in 1966 in de Brabanthallen het legendarische concert van The Rolling Stones met in het voorprogramma onder anderen The Bintangs en The Outsiders. Ook liftte ik in een vakantie -ik geloof in1968- een keer samen met een vriend met 50 piek op zak op de bonnefooi naar Parijs en terug en ik voelde mij erg verwant met rebelse kunstenaars, dichters en musici.

Terug naar Den Bosch

Eind 1968 keerde ik definitief terug naar Den Bosch en maakte als externe leerling op Beekvliet in Sint Michielsgestel het Gymnasium af. Daar kroop ik in de vrije uren zonder te vragen achter het kerkorgel in de kapel om te improviseren en zette daarbij soms alle registers open, maar niemand die daar iets over zei. Een aantal jaren later kocht ik overigens via mijn pianostemmer voor een prikkie mijn eerste vleugel, de Ibach van Beekvliet, die in de loop van de jaren door de leerlingen uiterlijk behoorlijk was afgeragd, maar hij klonk nog geweldig. We hadden op de flat in de Arezzostraat een piano, maar ik wilde dolgraag ook een orgel. Bij de muziekwinkel van Goosen & Swagerman kochten we toen een Capri orgel. Na een jaar ruilde ik het in voor een Farfisa, dat had echt een hipper geluid. Ik begon met eigen liedjes maken en opnemen op een eenvoudige bandrecorder. Den Bosch was eind jaren 60-begin jaren 70 echt de stad van de amusementsorkesten en de coverbandjes en die in mijn ogen nogal platte en commerciële cultuur vond ik midden in het psychedelische tijdperk en de flower-power muzikaal helemaal niet interessant. Dus ga je op zoek naar muzikale geestverwanten en die kom je dan vanzelf tegen. Zo ontmoette ik Kees Buenen en Paul Smits, die drumde. Via Paul leerde ik weer Wim Hartjens kennen. Die had een band, die heette Eh… Dinges. Jan Seegers speelde bas. Die hield wel van een biertje en is nog een keer bij de Rode Leeuw de Dieze in geflikkerd. Appie Kamphuis was de drummer en ik ging vaak mee naar optredens in de dorpen rondom Den Bosch.      Rond 1968-1970 ging ik uit in de Hort, de Blokhut, Big Pink, het Theatercafé van het Casino en het Purple & Greenhouse aan de Parade. Ik had net een sirar gekocht en kwam een keer op uitnodiging van de organisatie improviseren. Binnen de kortste keren zat er veertig man om je heen te luisteren, heel leuk was dat. Bij muziekwinkel Goosen & Swagerman had je boven de instrumenten en beneden de platen. Ik ontwikkelde een hele brede smaak, van componisten als Burt Bacharach en Jimmy Webb tot en met Jimi Hendrix en The Nazz, een Amerikaanse progressieve band uit Philadelphia, waar ene Todd Rundgren in speelde, een rasmuzikant, componist en producer die van grote invloed is geweest op mijn latere muzikale ontwikkeling. Ik was inmiddels zo’n goede klant geworden dat ik bij de uitverkoop als eerste de koopjes mocht uitzoeken.In de omgeving van Den Bosch kon je regelmatig internationale bands aan het werk zien, bijvoorbeeld in het Beatpaleis in Schaijk, daar zag ik Fleetwood Mac met Peter Green en Spooky Tooth met Gary Wright en Mike Harrison. De eerste versie van Yes zag ik spelen in een achterafzaaltje in het dorp Zeeland. Spooky Tooth had een geweldig mooi uitgebalanceerd geluid, terwijl ze helemaal niet zo hard speelden en omdat die nog helemaal niet bekend waren hier, kon ik als een van de weinigen vlak voor het podium alles heel goed zien en horen. De eerste platen met Jimmy Bellmartin In cafe de Hort in Den Bosch ontmoette ik Jimmy Bellmartin. Ik schreef liedjes en Jimmy had een bijzondere en krachtige stem en kon ze met veel soul heel goed uitvoeren. In 1970 namen we in de EMI studio in Heemstede zijn eerste single “This is my lovesong” op voor een sublabel van Negram, het was een liedje van mij en de producer was    Ad Kraamer, die ook in Den Bosch woonde en wat ingangen had in de muziekbusiness. Jimmy en ik begonnen samen meer nummers te componeren en wij speelden vervolgens ook ongeveer twee jaar in verschillende bandjes, waaronder uiteindelijk de Jimmy Bellmartin Band. Inmiddels had ik een Hammond, want dat was toch eigenlijk het beste orgel dat je kon hebben. Wij hadden veel soulvolle, Latin en funky nummers op het repertoire. Voor sommige optredens belden wij Nippy Noya,    die dan mét zijn conga's in Amsterdam op de trein stapte naar Den Bosch. Regelmatig traden wij op bij Molukse feestavonden en we speelden tot Amerikaanse legerbases aan toe, diep Duitsland in. Dat ging er soms behoorlijk hard en heftig aan toe in verband met de tegenstellingen tussen blank en zwart. Meestal kochten de jongens en ik na afloop bij de legerstore voor de inkoopprijs flessen Four Roses en sloffen sigaretten en die werden dan in mijn Lesley-box meegesmokkeld. Ik was in 1972 in de St.Jorisstraat op de benedenverdieping van een heel creatief ingesteld huis gaan wonen met een paar bevriende kameraden die op de kunstacademie zaten en met fotografie, vormgeving en mode bezig waren en dat werkte aanstekelijk. Ik had er een Uher recorder om sound on sound mee op te kunnen nemen, een Gibson SG Custom gitaar, een vleugel en een drumstel en korte tijd zelfs een mellotron, eigenlijk de hele range voor een complete band.  Bij het musiceren en componeren liet ik mij steeds vaker inspireren door de eerder genoemde Todd Rundgren, die ook zijn platen zelf inspeelde en produceerde. De Jimmy Bellmartin Band ging uit elkaar en Jimmy ging daarna meer discotheken- en nachtclubwerk doen, tot in Spanje en Suriname aan toe en het contact verwaterde een beetje. In 1974 namen wij nog wel samen als co-producers en auteurs het liedje "You're a lady" op. Je had in Den Bosch ook club Odyssee en daar werd ook goede funk en souljazz gedraaid zoals Curtis Mayfield, Candido en the JB’s, die ik daar ontdekte. Lekkere dansmuziek met een stevige groove, daar werd ik echt fan van. Ik heb als producer later veel met (Amerikaanse) zwarte artiesten gewerkt, zoals American Gypsy, Tony Sherman, Forrest en Rocq-E Harrell. Via mijn toenmalige uitgever hebben zelfs het beroemde duo Peaches & Herb uit de USA later nog een song van me opgenomen, die ook nu nog regelmatig in de USA op compilaties verschijnt. Eerst zou die song opgenomen worden door Teddy Pendergrass, de leadzanger van Harold Melvin and the Blue Notes, maar die versie is nooit uitgekomen. Ik merkte dat ik me steeds meer aangetrokken voelde tot het studiowerk, waarvoor ik ook als muzikant steeds meer voor werd gevraagd, in plaats van het doen van optredens. Het glamrock tijdperk was inmiddels aangebroken. Pantherman In de Doelen in Rotterdam zag ik een concert van Roxy Music, met in het voorprogramma Leo Sayer met een clownspak aan en in de zaal was veel glam en travestie aanwezig. Zo’n concept en die sfeer zetten me aan het denken en zo ontstond Pantherman, een theatrale stripheld die in allerlei verschillende surrealistische settings met humor en ook erg sexy de wereld zou gaan verbeteren, waarbij ik op mijn platen bijna alle instrumenten bespeelde en de zangpartijen deed! Mijn makker Pieter de Wit, eerder ook de manager van Jimmy Bellmartin, werkte toen bij een managementbureau in Rotterdam, die regelden een platencontract bij Polydor en in mei 1974 kwam in samenwerking met producer Shell Schellekens de plaat “Pantherman” in Nederland, België en Duitsland uit. Er werd op maat een zwart leren pak voor me ontworpen, met een prachtig masker van Lisette van Meeteren van de Haagsche Comedie. Toen kreeg ik plotseling een telefoontje: over drie dagen een TV opname. Het klinkt ongelofelijk, maar daar had ik dus totaal nooit bij stilgestaan. Er kwam meteen een choreograaf bij, die me allerlei dansbewegingen aanleerde, alles erop en eraan, de act was helemaal ingestudeerd. Toen ik enigszins nerveus de studiovloer op liep in mijn Pantherman pak, hoorde ik een cameraman iets denigrerends zeggen en ik was meteen behoorlijk de kluts kwijt. Die opname is één keer uitgezonden in het programma Nederpopzien van de VARA en ik zou het graag nog eens terug willen zien. Eens te meer werd mij echter duidelijk dat ik eigenlijk veel meer de sturende man achter de schermen wilde zijn dan performer. Het is trouwens wel erg grappig om te merken dat er nu nog steeds bands in de USA en de UK zijn die zich laten inspireren door mijn creatie van toen, dat lees ik via blogs op internet en de emails die ik krijg. Als ik die nummers nu terughoor klinken die oorspronkelijk, ongedwongen en gewaagd, vooral de eerste single, waarvoor nu door verzamelaars via Ebay flinke bedragen worden betaald. Relight Studios In 1975 verhuisde ik naar Rosmalen naar een eengezinswoning en werkte steeds vaker in de Relight Studio in Hilvarenbeek,   - eerst nog een 8-sporen studio- waar ik voor Polydor en anderen ook andere artiesten produceerde. In 1976 werd ik daar gevraagd als vaste staff-producer en ik produceerde in die periode verschillende successen met onder andere Ferdy Lancee en the Houseband. “Dancing Shoes” was de eerste Nederlandse funkplaat die een hit werd en hij kwam wereldwijd uit tot de USA en verschillende landen in Zuid Amerika aan toe. Relight had inmiddels een enorme en voor die tijd heel geavanceerde 24 sporen studio gebouwd en het was een creatieve vrijplaats, je kon er artistiek gezien doen wat je wilde. Ferdy Lancee was daar ook regelmatig als sessiemuzikant te vinden en hij was ook nog zanger/gitsrist in een amusementsorkest: Lotusland. Bij Relight vonden wij dat hij een bijzonder muzikaal talent had en wij gingen steeds meer samenwerken. Twee creatieve geesten met een flinke dosis ambitie vonden elkaar daar in Hilvarenbeek, het klikte in het begin muzikaal zeer tussen ons. Ferdy werd in die tijd ook wel de Nederlandse Peter Frampton genoemd omdat hij naast zijn blonde lokken en zangkwaliteiten ook een meer dan uitstekend gitarist was. In de CTS studio in Londen namen we met arrangeur Harry van Hoof de strijkers van het London Symphony Orchestra op voor zijn debuutalbum, evenals de blazers en het vrouwenkoor Sue and Sunny, -echte top sessiemuzikanten-, dat was kicken en ook heel spannend om met die mensen samen te kunnen werken. Succes trekt aan, de artiesten kwamen in die tijd vanzelf naar Relight toe. Zelfs Focus, toen in hun nadagen en zonder Jan Akkerman maar met de Belgische gitarist Philip Catherine, wilde daar met mij als producer werken. Uiteindelijk is het er wegens interne problemen tussen de band en het management toen niet van gekomen. Ik kan mij nog herinneren dat de roadies de backline al helemaal hadden geïnstalleerd in de studio en dat de heren zonder enig bericht gewoon niet kwamen opdagen. De studio werd ook steeds beroemder: Genesis, Peter Gabriel, Black Sabbath, Robert Fripp, Cat Stevens, Boomtown Rats, Gentle Giant, de Earring, Brood en Sportivo en nog vele anderen kwamen er opnemen. De Relight bar was in die tijd echter minstens zo’n begrip aan het worden als de studio, waar de kreet "sex, drugs and rock and roll" bijna een understatement werd en omdat de totale exploitatiekosten mede daardoor te hoog werden moesten ze noodgedwongen de labelactiviteiten afstoten. Ik verhuisde ermee naar Strengholt in Naarden die het hele spul opkochten, maar als je de unieke context en sfeer weghaalt, dat werkt niet. Helaas viel de zo zorgvuldig opgebouwde stal dan ook helemaal uit elkaar. Ook werd daar ik min of meer "gepushed" om alles waar men maar even commerciële potentie in zag aan te pakken. Zo werd ik een keer naar Limburg gedirigeerd om te kijken of er geen plaat gemaakt kon worden met een stel dansmariekes die op TV in een talentenjacht waren opgevallen en dat was toch wel een erg groot contrast met de omgeving van Relight, om op deze manier als platenproducer te moeten werken beviel mij dan ook helemaal niet.             Dit bevestigde mijn beeld van de Nederlandse muziekscene: commercieel succesvolle platenproducers moesten een soort generalisten zijn die uit alle genres de krenten uit de pap konden halen. De band Lancee Ik leerde bij Strengholt wel de eerste kneepjes van het muziekuitgeverijvak en leerde er een paar belangrijke contacten voor later kennen, je kan verder gerust zeggen dat dat bedrijf voor verschillende generaties muziekprofessionals een goede leerschool is geweest. Ik bleef demo’s en producties maken met Ferdy in Relight en ik schreef rond 1979 als een soort antwoord op bovengenoemde ervaringen "The battle of my lonely guitar". Dat vormde eigenlijk mede het ontstaan van de band Lancee, wij gingen meer van dat soort stevige rocknummers met inhoud schrijven, vonden een management en ik slaagde erin een platendeal te regelen met CBS dat met een nieuwe Nederlanse vestiging net een eigen artiestenstal aan het opbouwen was. Yde de Jong was eerder manager geweest van Focus en die vond het een goed idee van ons om met Lancee naar de Air Studio’s in Londen te gaan om het eerste album te mixen, maar die studio zat vol, dat ging dus niet door. In eerste instantie keken wij naar andere studios in de UK, maar toen zei Yde: ‘Ik moet toch in New York zijn, kunnen we het daar niet doen? Nou, dat wilden wij wel, dus eerst toestemming vragen bij CBS, de dollarkoers was laag dus dat ging allemaal net en vervolgens wij met twee koffers vol met multitracks naar de Hit Factory in New York. Die kende ik al van de platen van Rick Derringer en Edgar Winter en in een andere studio boven ons waren Hall & Oates hun album “Voices” op aan het nemen, enorm kicken was dat. Soms liepen ze even nieuwsgierig binnen om te horen wat die Europeanen aan het doen waren, want onze muziek leek in sommige nummers wel wat op die van henzelf. Wij werden later uitgenodigd om te komen kijken naar een try out concert van ze in club Gildersleeves ergens in the Bowery, niet echt een relaxte buurt, maar dat concert staat mij bij als een van de beste die ik ooit heb gezien. Vooral de leadvocals van Daryl Hall en het koorwerk waren van een buitenaards niveau. Ook werden wij via een vroegere Focus relatie van Yde, het Leber and Krebs management backstage uitgenodigd bij een Aerosmith concert in het Nassau Colosseum met Mothers Finest in het voorprogramma en wij voelden ons als echte rocksterren in de hipste privé clubs. Ook ging ik met mijn vriendin naar de beroemde Studio 54, ik vergeet nooit meer hoe daar Bianca Jagger en de Andy Warhol clan zich op bijzondere wijze vermaakten in die bizarre setting..... Ik kwam met veel indrukken en hele goeie mixen weer thuis en wij kregen in 1980 een Edison voor het album ‘Models’, daar waren we natuurlijk verschrikkelijk trots op en het album stond enkele maanden in de charts. Achteraf bezien begon juist in New York het einde van de band zich al af te tekenen. Ferdy had in mijn optiek duidelijk moeite om in die omgeving zo dicht bij het vuur zijn zo vurig gewenste status als rockster waar te maken en strandde voortdurend in een soort krampachtig negativisme over van alles en nog wat. Terwijl ik bijvoorbeeld Studio 54 geweldig vond om te beleven, bleef Ferdy rondhangen in de hotelbar met zijn maatje en tevens onze vaste technicus Pierre Geoffroy Chateau, die ook mee was. Pierre heb ik in New York nauwelijks in de studio gezien, hij moest vooral Ferdy mentaal ondersteunen, want die hing erg aan hem. Toen zij vervolgens tijdens ons verblijf daar een keer bij het ontbijt trots meldden als een soort 'rock and roll statement' twee sinasappels tegen de muur van hun hotelkamer te hebben stukgegooid vond ik dat een soort balorigheid en provincialisme waar ik weinig mee had. De tweede elpee hebben we een jaar later opgenomen en gemixed in de Strawberry Studio van 10CC in Manchester, maar de muzikale relatie tussen mij en Ferdy zat toen eigenlijk al in een crisis. Dat album, 'the Bridge', had gewoon op dat moment en in die vorm niet mogen uitkomen. Ferdy wilde zoals gezegd dolgraag een echte rockster zijn maar had steeds vaker de neiging om -ik denk mede getriggerd door zijn achtergrond in dat amusementsorkest- heel snel en opportunistisch allerlei verschillende op dat moment succesvolle muzikale invloeden van anderen te absorberen en die begonnen steeds meer zijn composities en zijn podiumact binnen te sluipen op een manier die totaal niet meer paste bij mijn eigen muzikale smaak. Ik vond en vind inspiratie door de muziek van anderen prima, maar was zelf daarbij juist heel erg bezig met het zoeken naar extra toegevoegde waarde, authenticiteit en credibility en begon steeds meer afstand te nemen van de eerder genoemde balorigheid die steeds meer de sfeer tijdens de optredens en in de kleedkamer bepaalde en de inspirerende muzikale momenten voor mijn gevoel te vaak naar de achtergrond drukte. Ook bekroop mij regelmatig het gevoel dat Lancee muziek maakte die te ver los stond van de tijdgeest en meer leunde op een soort achterhaalde muzikale krachtpatserij dan op inhoudelijke zeggingskracht en dat voelde ik vooral bij de publieksreacties in de grote steden en op de festivals. Dat vond ik helemaal niet prettig en wilde zelf in mijn composities na het toch succesvolle eerste album een soort inhoudelijke inhaalslag maken en sloeg daar misschien een beetje in door. Ik merkte duidelijk aan Ferdy dat hij tijdens de opnamen van dat tweede album niet lekker in zijn vel zat en geen idee had waar hij naar toe wilde, de teksten voor zijn eigen songs waren bijvoorbeeld regelmatig nog niet klaar op het moment dat wij de vocals zouden gaan opnemen. Verder deed hij geen enkele moeite om zijn ongemakkelijke gevoel aan mij over te brengen. Het creatieve proces verliep al met al zeer moeizaam terwijl alles tijdens de jaren eerder als vanzelf leek te gaan en eerlijk gezegd was ik zelf in die periode ook niet echt in topvorm. Wij konden elkaar blijkbaar niet meer inspireren. Ferdy en ik groeiden in muzikaal en persoonlijk opzicht steeds verder uit elkaar en toen dat tweede album flopte, verliet ik eind 1981 als eerste de band omdat het gebrek aan succes vooral mij werd aangerekend en vrijwel meteen daarna vertrokken ook een paar andere bandleden. Er ontstond daarna nog even een soort gereviseerde Lancee met jongere muzikanten, maar Ferdy ging bij verder gebrek aan succes vervolgens helemaal in de flow van die tijd Nederlandstalig, startte met V.O.F. de Kunst en scoorde uiteindelijk dan toch zijn grote hit met “Suzanne”, een prachtig succes, dat echter niets meer met zijn eerdere ambities achter de Lancee muziek te maken had. Ferdy wilde eigenlijk gewoon een hit, maakt niet uit met wat of met wie. Het belangrijkste dat ik daarom achteraf bezien leerde van deze periode is dat een talentvolle muzikant niet meteen ook een geloofwaardige artiest is De VARA Ik was op een punt aangekomen waarop ik dacht: wat moet ik nu? Enerzijds zat het produceren en componeren nog diep in mijn systeem, anderzijds had ik ook gemerkt dat een carrière in Nederland op mijn eigen muzikale voorwaarden een moeilijke zaak zou kunnen gaan worden. Zo had ik tijdens een van mijn marktverkenningen eens een afspraak gemaakt met Willem van Kooten en liet hem mijn nummer horen "When the lights go out", gezongen door Tony Sherman. Hij vond het wel aardig, maar gaf meteen aan dat ik dat soort muziek maar beter aan de Amerikanen kon overlaten. Een paar maanden later kreeg ik van mijn voormalige uitgever het bericht dat Peaches & Herb het hadden opgenomen.  Zo zie je maar. Ik kon gelukkig iets later als freelance producer en redacteur bij de VARA aan de slag en ben daar in 1982 -naast het opnemen van nieuwe interessante bands- begonnen met allerlei klusjes, zoals het vervangen van Koos Zwart met de concertagenda. Maar iets later werd het wèl leuk: ook het produceren van live concerten in het clubcircuit, zoals de eerste concerten van U2 in Paradiso en Depeche Mode in de Lantaarn en festivals als Lochem, Pinkpop en Parkpop. Bij U2 kwam hun manager Paul McGuiness na afloop van het concert in de radio- wagen nog vragen of alles naar wens was gegaan en ik rekende na een volmondig ‘ja’ 750,- gulden cash met hem af voor de radiorechten.....                                                          Later toen ik bij EMI werkte heb ik het op Midem in Cannes nog eens lachend met hem erover gehad. Zo herinner ik mij ook het bezoek van Elvis Costello aan het programma Paviljoen 3, waar Dolf Brouwers nog in schitterde als parlementair medewerker en waarvoor ik de muziekitems produceerde, evenals de column van Youp van het Hek. Het boterde helemaal niet tussen Costello en presentator Felix Meurders, zeker toen hem een wat kritische vraag werd gesteld over het feit dt hij zich noodgedwongen een tijdje uit de muziekbusiness had teruggetrokken. Ik heb heel wat diplomatie en herstelwerk moeten verrichten om er nog iets van te maken. De ontdekking van de Dijk De VARA had ook het programma Popkrant, daar deed ik de redactie en het productiewerk voor en daar hoorde ik voor het eerst de Dijk met een heel goed liedje dat al eerder was opgenomen: “Bloedend hart”. Dat wilde ik per se op de plaat zetten. Zo werd ik de eerste producer van de Dijk en zorgde daarbij ook voor hun allereerste platendeal bij Dureco, bij wie zij twee albums uitbrachten. Regelmatig reed ik in die tijd naar woonboot "Elfresa" in Amsterdam waar Huub en Hans van der Lubbe woonden en waar ze ook repeteerden om samen met de band te werken aan de arrangementen voor de toen nog vrij basale composities. Nu is “Bloedend hart” een absolute klassieker en heeft de band inmiddels haar 30 jarig jubileum gevierd. Uiteindelijk heb ik alles wat je voor radio kunt doen, wel gedaan in heel veel verschillende programma's. Ik deed de redactie, regie of productie van Live Aid, Lijn 3, Pinkpop, Lochem, Parkpop etc etc en ik heb programma’ s gemaakt met Alfred Lagarde, Jack Spijkerman, Felix Meurders, Henk Westbroek, Jan Douwe Kroeske, Willem van Beusekom, Wim Bloemendaal en nog vele anderen. Als freelancer kon ik ook de platen van artiesten die ik interessant vond blijven produceren zoals van Forrest, the Affair en Fox the Fox en aan de heel andere kant bands als MAM en Tent, maar ook de muzieksamenstelling van programma’s doen. Ik kan mij nog heel goed herinneren dat sommige collega’s van andere omroepen bij het zien van de naam van de producer zeiegn: oh, VARA, dan moeten die hem maar draaien.... dàt was voor mij het moment om een pseudoniem te kiezen en dat werd David Basho, dat gebruik ik nu trouwens weer als artiestennaam. Onder datzelfde pseudoniem produceerde ik in 1986 samen met Jaap Eggermont the Affair en componeerde ik Unbeatable wat ik nog steeds een erg sterke song vind. Ik kwam als muzieksamensteller elke week met stapels nieuwe LP’s en singles thuis, die ik ook allemaal serieus beluisterde. Je bouwt op die manier natuurlijk een enorme repertoirekennis op en het gevoel voor wat actueel is en wat een hit gaat worden kon ik daar zeker uitbouwen. Door het programma Popkrant en heel veel concertopnamen in het clubcircuit te produceren voor de VARA, van Groningen tot Maastricht en van Rotterdam tot Arnhem bouwde ik in de loop der jaren een heel netwerk op van Nederlandse en buitenlandse bands en hun managements. EMI Music Publishing In 1987 werd ik vanwege mijn kwaliteiten door mijn uitgever Frans de Wit, die ik nog kende van Strengholt en die directeur werd van EMI Music Publishing in Londen, gevraagd om hun creatieve en commerciële belangen voor de Benelux te gaan behartigen. Dat was weer een nieuwe stap, verantwoordelijk zijn voor de miljoenenomzetten van een hele grote muziek-uitgeverij, toen een van de grootste van de wereld. Ik was eigenlijk ook wel toe aan iets anders en ging meer de internationale A&R kant op en pendelde tussen Hilversum en België, waar het Brusselse kantoor eigenlijk helemaal opnieuw op de kaart moest worden gezet. Wij scoorden vervolgens in die tijd grote internationale successen met lokale artiesten als Soulsister, Won Ton Ton, Technotronic, Selena en BB Queen en ik zat namens de Benelux in het internationale A&R team van EMI waarin ik betrokken was bij hele grote signings en onderhield daarbij contacten met de betrokken managements en lawyers samen met het hoofdkantoor. Daarvoor reisde ik regelmatig, kwam in Londen, Milaan, Parijs, Stockholm, New York, Nashville en Los Angeles en ontmoette op die reizen een hele rits interessante mensen zoals bijvoorbeeld Stevie Wonder, Bryan Adams, Gloria Estefan, componiste Diane Warren en ook Paul McCartney. Ik deed het muziekuitgeverij vak op dat niveau nog maar net en ik stond echt in dubio, een vreselijk dilemma vond ik dat, of ik hem nu als collega muzikant/producer moest benaderen, of als zakenman, wat hij natuurlijk óók is. Maar hij gaf me een hand en zei:     ‘How’s business?’ Dus dat was ook meteen weer opgelost, wel grappig was dat. In L.A. werd ik een keer op de 15e etage van mijn hotel midden in de nacht wakker door een flinke aardbeving, dat was behoorlijk schrikken. De volgende dag was er een afspraak met een lawyer, die onder andere de belangen van Frank Zappa en Olivia Newton John behartigde. Zijn penthouse in Santa Monica zag uit over de Pacific en de schilderijen hingen nog steeds scheef aan de muur, maar hij haalde zijn schouders op en zei: eens komt “the big one” en dan schuiven wij hier met zijn allen de oceaan in. Ik was blij dat ik wat later weer gewoon terug kon naar Nederland. In datzelfde hotel waar ik met een paar collega's een biertje aan het drinken was liep een keer Adje van den Berg tegen, die op dat moment nummer 1 stond met Whitesnake. Hij bleek daar te verblijven voor de duur van hun Amerikaanse tour, de wereld was weer klein. Ook kwam ik jaarlijks op de Midem, de grootste internationale muziekbeurs en één van die jaren was Smokey Robinson speciaal voor een concert door EMI overgevlogen, compleet met orkest. Dat was gigantisch genieten, evenals een andere keer bij een concert van Burt Bacharach en Dionne Warwick in Radio City Music Hall in New York. Ik heb bij EMI erg veel geleerd over de zakelijke en juridische kanten van de muziekbusiness, maar toen vanaf begin jaren 90 na de overname van een Amerikaanse concurrerende uitgeverij het oude management wereldwijd voor 85 procent van de ene maand op de andere werd vervangen door mensen van die andere club, vonden er vervolgens een aantal ingrijpende interne ontwikkelingen plaats en werd ik keihard met de keerzijde van die wereld geconfronteerd. Zo werd ik thuis gebeld vanuit de USA door de toenmalige CEO en vriendelijk doch dringend verzocht samen te gaan werken met een in de Nederlandse muziekbusiness erg omstreden nieuwe directeur die inderdaad het prototype bleek te zijn van de klassieke court jester, in zijn geval een klassieke combinatie van clown, leugenachtige intrigant en paranoide manager die de leiding kreeg over de Benelux vestigingen. Blijkbaar was ik niet shark-proof en gemotiveerd genoeg om mij aan te passen aan die nieuwe omgeving. Toch had ik vooral die eerste jaren voor geen goud willen missen, omdat ik toen het gevoel had écht op mijn plaats te zijn en kwaliteit, commercie en zakelijkheid optimaal kon combineren op het hoogste niveau en op mijn manier. Begin 1993 was ik nog niet helemaal bijgekomen van de meest recente EMI perikelen maar ging toch mijn licht opsteken bij mijn oude vrienden van de VARA. Daar was Vera Keur toen het opperhoofd en die vond het wel een interessant idee om mij als Eindredacteur TV terug te halen. Hoewel er in eerste instantie geen muziekgerelateerde programma’s in mijn portefeuille zaten, de klassieke Matinee uitgezonderd, waar ik meer een budgettaire taak had, begon ik vol goede moed aan die nieuwe uitdaging. Na een paar maanden bleek echter al hoe groot de overgang was van de multinational EMI naar het petieterige gekonkel binnen de Nederlandse televisiewereld en de VARA in het bijzonder. Daar werd op het niveau waar ik werkzaam was mijn EMI ervaring totaal niet gerespecteerd en had ik het gevoel helemaal opnieuw te moeten beginnen. Om in die omgeving te kunnen floreren moet je een “televisiedier” zijn en dat was ik eigenlijk niet van huis uit. De VARA was overigens wel zo galant om mij een cursus Uitvoerend Producent aan te bieden, eigenlijk een verkorte MBA op Nijenrode. Dit experiment eindigde dus  even snel als het begonnen was en na enige zelfreflectie besloot ik om toch weer in de muziekbusiness actief te worden als Executive Producer en consultant en startte daarvoor een joint venture met John Brands van MCA Music, eertijds ook degene die mij naar Strengholt haalde. In deze periode ondersteunde ik heel wat artiesten en beginnende bedrijven bij het screenen en afsluiten van contracten. Een van de interesantste muzikale projecten was het initiëren van het artiestencontract en de CD “Language of Love” van de geweldige Amerikaanse zangeres Rocq-E Harrell. Die kende ik nog uit mijn EMI tijd en ik kon haar project onderbrengen bij Epic Records. Voor dit album werd de top van de Nederlandse sessiemuzikanten ingezet en werd de musical director van Tina Turner Kenny Moore speciaal ingevlogen uit LA. In 1997 raakte ik in gesprek met een stichting in Utrecht die geworteld was in de sector van voornamelijk door de overheid gefinancierde koepelorganisaties binnen de klassieke- en amateur muziekwereld. De directeur had een zeer ambitieus plan ontwikkeld voor het opzetten van een internetsite waar al die organisaties en hun leden actief in zouden gaan deelnemen om zo het grootste muziekplatform van Nederland  te starten. Daarvoor was al subsidie geregeld en waren een aantal potentiele aandeelhouders geínteresseerd geraakt, waaronder als voornaamste provider Planet Internet, een volle KPN dochter. Ik zou de liaison gaan worden voor de muziekindustrie, omdat die ook al eerder actief waren benaderd. Op een gegeven moment in dat proces bleek echter dat de hand flink was overspeeld bij de voorfinanciering van dat alles en het hele plan stond daardoor op losse schroeven. Op verzoek van het bestuur van de stichting, waaronder een ex CFO van de KLM, werd ik aangesteld als  interim directeur om -bij het succesvol oplossen van een aantal complexe problemen- als algemeen directeur te  kunnen starten van het nieuwe platform. Met gepaste trots was dat in december 1997 een feit en stortte ik mij een aantal jaren in de dynamische wereld van het internet. Een nieuw tijdperk was aangebroken.